Japanse andoorn
![]() | Tweet | Follow @VG_redactie |
Japanse andoorn of crosne (Stachys affinis)
De Japanse andoorn behoort tot de boeiende groep van verrassende groenten die in de tuin een zorgeloos bestaan leiden.
In de keuken vragen ze om een speelse, snelle en eenvoudige aanpak om op tafel iets ongewoons, exclusief en lekkers te kunnen serveren.
Een groente met toekomst dus.

Zorgeloze plant
De Japanse andoorn of crosne, genoemd naar een Frans dorpje waar de planten voor het eerst in 1882 geteeld werden, is een uiterst eenvoudige en gemakkelijk te telen groente.
De planten (of beter de wortels) zijn winterhard. Bovengronds zijn ze weinig spectaculair. Groene, gewafelde bladeren komen vanaf het vroege voorjaar tevoorschijn en groeien de hele zomer verder uit.
De bijhorende zachtroze lisbloemen mag je hier in ons klimaat niet elk jaar verwachten en zaad dus al evenmin.
Geen probleem overigens, want de planten vermeerderen zich uitstekend ondergronds, en vaak ook iets te enthousiast.
Maar goed, je hoort blij te zijn met zo'n zorgeloze plant. Om te starten heb je dus plantgoed, knolletjes, nodig, en dat is niet eenvoudig.
Net zoals bij wel meer wortelgewassen is de houdbaarheid van de Japanse andoorn zeer beperkt en dat maakt hem weinig geschikt om commercieel te verhandelen.
Je bent dus aangewezen op een collega-tuinier of op een gespecialiseerde kwekerij, die crosne buiten het traditionele plantseizoen ook wel eens als containerplant aanbiedt.
Knollen worden uitgeplant begin maart, op een onderlinge afstand van 25 cm in alle richtingen.
Een paar weken later komen de donkergroene bladeren tevoorschijn. Meer werk heb je er niet aan. Onkruidvrij houden en in droge periodes een beetje extra vocht geven is alles wat de planten nodig hebben.
Reken erop dat de planten ondergronds soms tot een meter uitlopen; geef ze dus voldoende ruimte en vermijd grondbewerking in hun omgeving om de jonge wortelknolletjes niet te beschadigen.
Oogst en bewaring
Voor de oogst heb je even geduld nodig, want pas in het najaar beginnen de knollen zich te ontwikkelen.
Pas begin november kun je voor het eerst gaan graven en zul je snel over de wortels en de bijhorende knolletjes ontdekken.
Je oogst enkel wat je ook onmiddellijk kunt gebruiken, want de witte knolletjes verliezen in enkele uren hun knapperige structuur.
Wil je ze toch bewaren, was ze dan en stop ze in een plastic zak in de groentelade van de koelkast, of bewaar ze in de kelder in een bak met wat zand of turf.
Maar gewoon in de tuin laten zitten is het meest logische.

In de keuken
De wat wisselvallige vorm van de knolletjes maakt dat je de nodige aandacht moet besteden aan het schoonmaken.
Flink wassen, schrobben en spoelen hoort erbij om alle tuinresten te verwijderen en uiteindelijk blanke knolletjes over te houden.
Om de pure smaak te proeven, kun je je oogst maar het beste gewoon rauw verbruiken.
Geserveerd op een bedje van rucola of veldsla, aangemaakt met wat olie en azijn, komt de knapperige structuur en de rauwzoete smaak het best tot uiting.
Tip
Het wordt helemaal zorgeloos wanneer je crosne een apart stukje tuin van bijvoorbeeld een vierkante meter geeft, met een tiental knolletjes als plantgoed.
In de winter ga je graven en oogst je de meeste knolletjes. Maar zoals bij wel meer wortelgroenten, is het vrijwel onmogelijk om alles te oogsten en blijft er een aantal knolletjes over die in het volgende seizoen automatisch als nieuw plantgoed zullen uitgroeien. In het voorjaar een laagje compost erover aanbrengen als extra voeding en je bent klaar voor een nieuw groeiseizoen en een daaropvolgende winteroogst.
Auteur: Peter Bauwens
Interessante artikels
![]() | ![]() | ![]() |






